Herinnering aan Koppelrust door Pauline Kemper - Tutein Nolthenius, 1869

Uw lieve teekening voert ons weer
Naar ‘t huis waar zooveel goeds weleer
Door ons werd ondervonden.
Daar onder ‘t vriendelijk Oudrendak,
Vond ieder zich op zijn gemak,
Door liefde saamverbonden.
Maar wat ons vreugd en leven gaf,
Dat straalde van de moeder af,
Wier drijfveer was, zoowel als vreugd,
Te zorgen voor de lieve jeugd.

Hoe schets ik u, als wij daarheen
Per spoorweg of per rijtuig reên.
Het lastigst was de Koppeldijk,
Die hobbelig was en dik van slijk,
Tot aan het vriendelijk hek gekomen,
Wij binnen draafden zonder schromen,
Langs ‘t Gein en door de Iepenlaan.
Wie zagen wij aan ‘t hoekje staan?
De goede Jaan, die steeds beducht
Stond uit te kijken naar de lucht.

De hand aan de verandadeur
Lefèvre waarlijk, met een kleur.
Die goede ziel, in lief en leed,
Altoos tot dienstbetoon gereed!
Steeds vrolijk, vaardig, bij de hand,
Was zij mamaatje’s adjudant.
Wel lieve kindren zijt ge daar,
Hoe lief van u! – was ‘t woord van haar,
Wier vriendlijk oog, zoo trouw, zoo goed,
Verlangend aan haar denken doet.

Komt allen nu, en toe de deur!
(Ik rook van ver de kofijgeur).
Heb nu geen zorgen voor uw goed,
Want Heintje draagt gewis met spoed
Dit naar uw kamer, steeds bereid
Met haar bekende zorglijkheid.
Kom kindertjes, nu dadelijk aangezeten,
‘t Is meer dan tijd, dat gij iets krijgt te eten.
‘k Heb versche eijeren, kaas en warme broodjes,
Ook boeuf met ravigot en palingmootjes.

Dat elk nu kieze naar zijn smaak
En grijpe toe, dat ‘s mijn vermaak.
Door een kleinen gang van een paar schreden
Zag men rechts bij het binnentreden
Door de deur van het terras,
Waar de daagsche kamer was.
Wilde men zich retireeren,
Of voor ‘t rooken van de heeren
Was – met groen behang bekleed,
Links nog een vertrek gereed.

Men behoefde nooit te zoeken
Naar een goede voorraad boeken.
En voor ‘t algemeen pleizier
Stond een tamelijk goed klavier.
Mocht het weer ongunstig wezen,
Altoos vond men wat te lezen;
Zoowel maandschrift als courant
Lag voor ieder bij de hand.
Ook voor die zich mochten vleijen
Zeer bekwaam te zijn in ‘t breien,

Hing een reeds begonnen net,
Plankje, touw en een navet.
Als wij uit die kamers kwamen,
Zagen wij voor, uit de ramen,
Huizen in het hout verscholen,
En Abcoude’s kerk en molen.
De Hofstee werd van ‘t dorp gescheiden
Door straatweg en door schoone weiden,
Waar ‘t welig gras en keur van bloemen,
Met vee – waarop die streek mag roemen,

Een vrolijk Hollandsch landschap bood.
En als de zon haar stralen schoot,
De lucht met helder hemelsblauw,
De bloemen tintlend frisch van daauw,
Zeg, zou dan voor die goede streken
‘t Gevoel van schoon gansch zijn geweken?
De rechtsche kamer had op zij
Een zeer eenvoudige vensterrei,
Waar wij door zware olmenboomen
De kleine golfjes zagen stroomen

Des vijvers, waarin, zwart en rood,
Wij vischjes voerden kruimpjes brood.
De trouwe Cora, die in ‘t veld
Broer Peter altoos had verzeld,
Werd naast het pad ter aard gebracht;
En dikwijls werd er nog herdacht
Hoe kwispelend hij met schel geblaf,
Zijn vriendschap ons te kennen gaf.
Aan d’andre zij van ‘t huis, omgeven door een gracht,
Lag moeders bogaard, die bij lentes pracht,

Haar rijke bloesems strooit op kronkelende paden
En later ons verkwikt met takken volgeladen
Met keur van geurig en van saprijk oost,
Door zachte zomerzon van lieverlee gestoofd.
De ruime moestuin lag daarneven,
Door zijnen perzikwand omgeven.
Van alles vindt men in dien tuin,
Ook artisjokken en ajuin.
Aan ‘t einde stond voor tijdverdrijf,
Tot schieten nog een ferme schijf.

Er liep een kade langs het Gein
Waar schuiten lagen, groot en klein.
Daar werden ze onder dak bewaard
Voor ‘t ruwe weer, en zoo gespaard.
Bij ‘t visschen was men gaarne vrij;
Dus werd gepacht de visscherij,
En als men er op uit zou gaan, dan werd een paard
Gespannen voor de groote schuit.
Men hoopte zeer op goede buit,
En Jan moest mee, de baas van ‘t spel;
Zijn snaaksche aard beviel zoo wel.

De visch niet van de netten week;
Mama zei soms ‘t een moord geleek
Maar haar geweten werd gestild,
Daar ‘t van een ieder was gewild,
En men veel ten geschenke zond
Aan dorpbewoners in het rond.
Tot etenstijd was ieder vrij
Voor ‘t werk van zijn liefhebberij.
Wanneer de broers verdwenen waren,
Dan gingen wij ons saam vergaren.

,,Kom, nu niet langer hier beneden.
,,Wat dunkt u, wilt g’u eens vertreden?
,,Zoo niet, dan gaan we maar naar boven.
,,Zeg Heintje, staan daar warme stoven?
,,’k Ben van uw plannen niet bewust;
,,Hebt gij ook zin om naar Landlust
,,Met mij een kort bezoek te brengen?
,,En zoo wij ‘t niet te zeer veilengen,
,,Dan eenmaal voorbij de coupure,
,,Was ‘t licht voor ons d’aloude muren

,,Van Loenreslooth ook te bereiken.
,,Men rijdt langs ‘t bosch met fraaije eiken
,,Waar ‘t Slot ligt in zijn breede gracht.
,,Wellicht dat Emmy ons verwacht;
,,Zij is toch sedert een paar weken
,,Reeds gelogeerd in deze streken.
,,’k Ben bij de Slotvrouw in de schuld
,,En vergde veel van haar geduld;
,,’t Is voor u allen een verzet
,,En ik kwam uit de schuld gered.”

De lieve moeder wist zoo goed
Dat vrijheid veel genoegen doet;
Toch was een ieder steeds bereid
Te huis te wezen op zijn tijd.
Gekapt, gekleed, zeer net en frisch,
Kwam alles samen voor den disch.
Er was geen knecht; eenvoudig kwam de meid:
En zei ,,mevrouw! de tafel is bereid”.
Dan rees de moeder van haar kleine canapé
En sprak ,,kom kind’ren, gaat nu mee”.

Naar d’eetzaal sprong met vlugge stappen
Het jonge volkje van de trappen,
Terwijl aan d’arm haar’s zoon, Mama
Hun zachtjes volgde achterna.
De tafel stond gereed en netjes.
Het blanke zilver, helder glas, servetjes.
Als middenstuk zag men op tafel staan
Een kool van aardewerk, waar soep was in gedaan,
Met wortels, prei en wat men meer serveert.

Nog stond er vrolijk aan haar zij,
Een bont gekleurde voglen rei.
Als ‘t eitje in haar nest verscholen,
Lag daarin sucrerie verholen.
‘t Diné was keurig toebereid
Door Jane’s zorg, en Juf’s beleid.
Gebraden rundvleesch, karbonade,
Een keur van groenten, malsche slade,
Dan pudding, kippen en wat meer
Voor ons bedacht werd, keer op keer.

Ook werd een zandtaart opgedragen;
Die droeg helaas het welbehagen
Der heeren niet. Geen wilde er van eten!
Zij pretendeerden dat men had vergeten
De rechte maat, die er in kon,
Van vette boter, uit de ton.
Vrolijke luim, grapjes en plagerijtjes,
Kleine discussiën, nooit twistpartijtjes!
Ja, als eens die Nolthenius heeren
Levendig waren aan ‘t redeneeren,

Dan tintelden ons wel eens de ooren,
En ‘t was een toer om elkander te hooren.
Nu werd gedankt voor hetgeen wij genoten;
Men stond op van tafel, en ontsloten
Werd dadelijk de veranda deur,
Opdat de frische lucht en bloemengeur,
Cigaar en etensdamp verjaagt.
Er wordt daarna in ‘t rond gevraagd
Of hier de koffij liefst gedronken,
En later dan weer thee geschonken

In moeders koepel aan de vaart,
Waar men zich gaarne weer vergaart.
Intusschen drentelt men wat heen en weer,
Geniet de lucht, het mooije weer,
Tot in haar rolstoel, Jan met ijver,
Mama trekt naar den linden vijver.
Daar staat de koepel, die niet groot,
Toch plaats genoeg voor allen bood,
Men ziet van ver daar d’ijzren baan,
En op bepaalden tijd de treinen stille staan.

Zelf was het moog’lijk in ‘t verschiet
‘t Ontdekken wie de trein verliet.
Rechts naast den koepel stond een bosch
Van iepen, in hun schoonen blad’ren dos
Zich spieglend in den vloed. Een kleine bocht
Bedekt voor ‘t oog de naderende aantocht
Der drukke doorvaart; ja menig mandje en pakket
Werd door de schuit aan wal gezet.
En als ,,Koppelrust ho!” was de vrolijke kreet,
Dan repte men zich tot ontvangen gereed.

Zijn schipper aan het roer, kwam om den hoek gevaren
Een deftig vrachtschip, opgehoopt met waren,
Getrokken door een paard; de lijn schuurt langs het riet,
Wiens pluimen tot de nederige vergeet-mij-niet
Zich hoflijk buigen. De blanke nenuphar
Wordt door het golf je overspoeld. Maar geen gevaar!
Te midden van haar groen steekt zij het hoofd omhoog,
Terwijl een schaar van jonge eendjes zich bewoog,
Daar gretig zocht naar mugjes en naar vliegen,
En dartel kwakend, zich op ‘t lover laten wiegen.

Sedert de spoorweg te Abcou was gekomen,
Werd op den straatweg zeer weinig passage vernomen.
Een enkel rijtuig van een buiten in de buurt,
Of wel een huurspul, voor een zomerdag gehuurd.
Toch ook een vrolijk feest van boeren en boerinnen,
Die op een chais hun huwlijksreis beginnen,
Gevolgd op d’ eigen wijs, in keurig feestgewaad,
Door nabestaanden, wier vreugd men ziet op hun gelaat.
Veel wandelaars leverde nooit Abcou,
Wat jongelui, de dokter, doming en zijn vrouw,

Zoo slentrent aan den waterkant.
De bond loopt mee, en kinders aan de hand.
Beleefd en vriendelijk was d’avondgroet,
Waaraan men welgemeend voldoet.
De thé was nu gebruikt, in ‘t zwerk de zilvren maan
Verkondigt dat het tijd wordt ‘t huis te gaan.
Ook oude Jan zal met het rijtuig dadelijk komen.
Men brengt ons goed, en afscheid wordt genomen,
De lieve moeder hartelijk nog gekust;
Altijd te vroeg verlaat men Koppelrust!

Januari 1869




Wapen Nolthenius

© 2026 Karel Tutein Nolthenius [genealogy@tuteinnolthenius.org]