Hofstede Koppelrust

Koppelrust (ook De Coppel) stond ten zuiden van Abcoude, achter de woonhuizen aan de Koppeldijk, nrs. 41 en 41B.. Het huis werd tussen 1682 en 1716 gebouwd. Naar verluid kopen twee broers, Joost Brouwer, logementhouder te Abcoude, en Gerrit Brouwer, veehouder in deze plaats, het buiten op de veiling. De ene bron zegt dat een maand later het huis verkocht wordt aan Julie Nolthenius – Tutein, dat zou dan nog in 1844 zijn, terwijl een andere bron 1846 noemt!

Julie koopt alleen het huis en de omliggende grond, ruim 4 hectare; de landerijen blijven in eigendom van de heren Brouwer. In 1855 wordt het buiten verkocht. Tot 1860 volgden enkele verkopen van het huis elkaar snel op. In 1861 wordt in een notariële akte gesproken over de plattegrond van de afgebroken hofstede

Na het overlijden van haar echtgenoot Willem Hendrik Nolthenius in 1827 op 51-jarige leeftijd, vestigt Julie Tutein (1783) zich met haar kinderen te Deventer. In 1846, als haar jongste zoon te Leiden gaat studeren, koopt zij de hofstede Koppelrust bij Abcoude. Tot 1855 verblijft zij daar. Op 72-jarige leeftijd trekt zij in bij haar zoon Peter Marius, eerst te Haarlem, later te Apeldoon alwaar zij in 1865, op 82-jarige leeftijd, overlijdt.

Kadastralekaart van HisGis
Kadastrale kaart ca 1830

1849 Militaire Kaart (Veldminuut) - Bijlemermeer-Abcou
1849 Militaire Kaart (Veldminuut) - Bijlemermeer-Abcou

Kadastralekaart 1811 op Googlemaps 2014
De Kadastralekaart van 1811 op Googlemaps van 2014

Rond 1853 tekent Jan Rudolph Kemper (1802-1879), schoonzoon van eigenaresse Julie Nolthenius – Tutein, een drietal afbeeldingen van het huis.
Situering aquarellen J.R. Kemper

Noordzijde Westzijde Oostzijde

 


 

Op 6 juni 1851 wordt een kleinzoon van Julie Nolthenius, Rudolph Peter Johann, op Koppelrust geboren. In het door het geschreven familieboek "Het geslacht Nolthenius" in het eerste stuk van het tweede deel (1930) komt Koppelrust en het leven daar uitgebreid aan bod (blz. 758-765).

 


 

V. KOPPELRUST (1846—1855). Een dag buiten aan ‘t Gein. — De ,,Groot-moeder”. — Peter Marius neemt Julie Tutein bij zich in huis.

Te Amsterdam inwonende bij haren oudsten zoon Gulian, verhuisde Julie met dezen van de Heerengracht bij de Huidenstraat naar de Keizersgracht bij de Spiegelstraat, waar diens beide kinderen werden geboren: een jongen en een meisje. Op jeugdigen leeftijd ging dit jongentje heen, en niet lang daarna ook de vader van ‘t gezin, nauwelijks veertig oud.

Ondertusschen had Julie Tutein een buitenverblijf gekocht: Koppelrust bij Abcoude (1846), wellicht daartoe in staat gesteld door het aanzienlijke legaat van haar kort geleden gestorven zwager (Gulian Daniel Crommelin, 1776-1846), en vermoedelijk met het doel – nu Wisseloord (Crommelin's buitenplaats nabij Muiderberg) (niet langer kon zijn de verzamelplaats der familie – om aan hare kinderen een nieuw zomer-rustpunt te verschaffen.

Gunstig gelegen, een paar honderd meter ten zuiden van het dorp, aan den Koppeldijk, welke voerde naar de iets verder gelegen slot-ruïne, vormde de hofstede een lange strook van 14 bunder (4 ha, ca 6 voetbalvelden), ten zuiden en ten oosten omslingerd door het Gein (Angstel), terwijl ten noorden de weilanden zich strekten tot aan het dorp toe.

Wie heden ten dage langs Abcoude spoort in de richting naar Utrecht, ziet even voorbij het station, op een halven kilometer, aan den rechterhand in de weidevlakte eene rij knotwilgen. Deze duiden den Koppeldijk aan. Zij deden een keukenmeid uit stad, die nooit de natuur had gezien van dichtbij, verbaasd uitroepen: Heeremetijd wat groote salie! Nog beslaat de tuinmanswoning nabij den oprit, doch overigens herinnert slechts een klein kommetje in het grasveld en enkele verarmde vruchtboomen aan de in de zestiger jaren ten behoeve der landsverdediging gesloopte hofstede.

Het huis, blijkbaar in twee tijdperken opgetrokken, bestond uit een voorgebouw van twee verdiepingen met sousterrain; waartegen aan de noordzijde aansloot een terras, gevormd door eene in halfcirkelvorm opgeworpen grondmassa. Op dit twee verdiepingen hooge huis volgde een langgerekt één verdieping hoog bouwsel, hetwelk eindigde in het koetshuis en stailing. Uit het voorhuis voerde een gang met korten trap naar dat achterhuis op den beganen grond, waarin zich o. a. bevond de eetkamer.

Doch waarom voortgaan met beschrijven, waar de oudste dochter van Julie Tutein in kunstloos rijm zoo goed schetste en het verblijf en de bewoners en de gasten? Slechts ga vooraf tot beter begrip deze korte toelichting:

Het huisgezin op Koppelrust bestond uit mejuffrouw Henriete Lefèvre, dame de compagnie, Heintje de linnenmeid, Jane de keukenprinses, Jan de tuinbaas. Emmy is Gulian’s weduwe Emelie Martini Buijs, toen gelogeerd bij hare ouders op het kasteel Loenersloot, een uur gaans zuidelijker gelegen. Oude Jan is de koetsier van Julie’s schoonzoon Kemper, die met eigen rijtuig kwam uit Amsterdam – een afstand van 3 uur gaans. De andere leden der familie verlieten Amsterdam gewoonlijk per spoor; soms – als de wind gunstig was – per zeilwagen, vervaardigd door haar zoon Henri. Welk voertuig – teekenend voor die tijden met gering spoorwegverkeer en groote gemoedelijkheid – daartoe werd gezet op de spoorrails! De kleine canapé en de tafelopzet worden nog zorgvuldig bewaard door Julie’s afstammelingen. Onderstaande ,,Herinnering aan Koppelrust” werd gedicht door Pauline Kemper naar aanleiding van een drietal aquarellen door haren echtgenoot vervaardigd van het buitenverblijf.

(voor het genoemde gedicht van Pauline Kemper - Nolthenius, klik hier)

Hoe juist ook schetste hare dochter Pauline in de hierboven gegeven beschrijving op rijm, het leven aan het Gein – één, en wel een zeer belangrijk onderdeel er van, werd er zelfs niet in aangeroerd – wellicht omdat de beschrijfster zelve was kinderloos. Want Koppelrust moge niet zijn geweest wat later werd Staverden voor de kleinkinderen, Heyenoord voor de achterkleinkinderen (het jongere geslacht moest nog groeien!), maar voor de gelukkige moeders met hare babies was de hofstede aan het Gein een paradijs van rust en verkwikking. Slechts eene schoondochter wachtte aldaar door toevallige omstandigheden af hare bevalling. Maar hoe dikwijls verbleven de andere er korter of langer tijd, of zonden er heen enkele der kinderen! Zoo haar dochter Nina, niet lang geleden gevestigd te Amersfoort, toen bij haar jongste tweetal zich kinkhoeft scheen te openbaren, en het – met het oog op hare kort geleden bevalling – veiliger werd geacht bij ,,Grootmoeder” onder te brengen de besmette een- en tweejarigen.

En gewillig nam die oude gebrekkige vrouw op zich dien zwaren last, en zag daartoe af van een verblijf bij hare dochter Pauline op Staverden; voor deze en de moeder eene groote teleurstelling.

Maar wat mij meerder spijt – schrijft deze dochter aan hare schoonzuster Betsy – is dat Mama op haren leeftijd nu die bezwaren heeft van die zieke hoestende kinderen, en bij ondervinding weet ik heel goed, dat zij zeker de nauwste oplettendheid zal hebben, maar daardoor ook misschien zelve op hun kamer slapen, en hare nachtrust niet als gewoon genieten. Het zal niets helpen, al schrijf ik er nog zooveel over – ik ken onze goede lieve moeder – dat zal er niet veel aan doen. Wij moeten maar hopen dat de hoest van geen heel kwaadaardigen aard worde. Maar die kleine logeetjes zullen wel maanden te Koppelrust dienen te blijven, en Nina zal zich moeten voorstellen de jongetjes in geen vierendeel jaar te zien. Veertien weken rekent men voor de kinkhoest: 7 klimmen, 7 dalen. (3 Juli 1851).

[...]

Toen na het overlijden van haar oudsten zoon (Gulian 1807-1848), diens weduwe (Emmy) in 1853 verliet Amsterdam, besloot Julie Tutein zich ook ‘s winters te vestigen op Koppelrust. Doch zulks was te eenzaam voor wie steeds had geleefd in kinderrijke omgeving. En dus nam op een somberen winterdag, haar zoon Peter Marius een kloek besluit, pakte haar warmpjes in en bracht haar naar Purmerend, waar hij toen was burgemeester. Zij volgde hem bij zijne latere verhuizingen, en de voor goed verlaten hofstede werd verkocht in het najaar van 1855.

 

Julie Tutein (1783 – 1865)
door Jens Juel
Julie
door Charles H. Hodges
Julie
foto van Mottu
Willem Hendrik Nolthenius (1776 – 1827)
door Charles H. Hodges

 



Enige slides betreffende de ligging van Koppelrust.



Externe links



Wapen Nolthenius

© 2026 Karel Tutein Nolthenius [genealogy@tuteinnolthenius.org]